Er is een thema die ik in bijna ieder mens tegenkom.
Soms luid en duidelijk aanwezig, soms verscholen in de onderstroom: ben ik wel goed zoals ik ben?
Wie je bent, is niet in één moment ontstaan. Je bent gevormd door je opvoeding, je schooltijd, door je vriendschappen, door alles wat er wel en niet werd uitgesproken. Zo groei je op in een systeem met uitgesproken en onuitgesproken regels.
Met verwachtingen, loyaliteiten en overtuigingen die vaak al generaties lang meegaan.
Misschien werd er gezegd dat je niet zo slim was, of dat je veel te serieus bent of te gevoelig. Of werd er juist gezegd dat je juist te veel aanwezig was. Zinnen als deze nestelen zich in je hoofd, maar ook in je lichaam. Ze worden overtuigingen en jij ziet ze als waarheden. Als een soort van deken worden ze over je heen gelegd, als bescherming. Systemische gezien dragen we ook iets mee uit vorige generaties. Voor nu wil ik graag dichtbij jou blijven. Bij hoe jij nu in het leven staat. Ervaar je de overtuigingen als beschermend of als beperkend, of kun je ook beide kanten zien?
In de aanloop naar de systemische opstellingendagen hoor ik het vaak terug: “Ik vind het spannend” “Wat als ik het niet kan” “Wat als ik het verkeerd doe” “Wat als ik helemaal niets voel”
Aan de oppervlakte lijken het praktische zorgen, niets is minder waar, onder deze gedachten liggen bijna altijd diepere lagen: Angst voor het onbekende, Angst om afgewezen te worden, Angst om er niet bij te horen of door de mand te vallen.
Dat is vanuit systemische oogpunt ook helemaal niet vreemd. Erbij horen is één van de diepste drijfveren. Als kind is buitensluiting geen klein ongemak, het is existentieel. Hier begint het aanpassen, je wordt stiller, maakt je onzichtbaar of je maakt je juist groter en gaat de strijd aan. Dit alles met slechts één doel: de verbinding behouden.
En ergens onderweg raken we daardoor vaak de verbinding kwijt, met name bij onszelf. En wanneer je de verbinding met jezelf verliest wordt het ook steeds moeilijker de verbinding met de ander te maken.
Als ik de angst zie, hoor en voel bij de ander, in dit geval in de aanloop naar de opstellingendagen is het verleidelijk om de angst weg te nemen. Om te zeggen: “het komt goed” Om te sussen, te overtuigen, gerust te stellen.
Toch doe ik dit niet.
Niet omdat ik onverschillig ben, juist omdat ik respect heb voor ieders plek en verantwoordelijkheid. En de angst laat je iets zien, is er om je te helpen en te beschermen.
Als ik ga redden, neem ik iets over wat niet van mij is. Dan ontneem ik de ander de kans om zelf te ervaren of hij of zij het kan dragen.
Wat ik wel doe, is afstemmen. Ik deel wat ik zie, hoor en voel en benoem wat zich aandient. Ik blijf in contact, in verbinding en ik laat de keuze altijd bij de ander.
Dit vind ik belangrijk om veiligheid en bedding te kunnen bieden waar de ander zelf kan bepalen wat hij/zij wil en nodig heeft.
Dit vraagt ook iets van mij, het vraagt van mij dat ik op mijn eigen plek blijf staan. Dat mijn woorden kloppen met mijn gevoel en met mijn non verbale houding. Dat ik niet groter doe dan ik ben en mezelf ook niet kleiner maak.
Congruentie is voor mij geen techniek, maar een voorwaarde.
Ik weet hoe het is om die veiligheid te missen. Om, te voelen dat woorden niet helemaal overeenkomen wat eronder leeft. Het is voor mij essentieel om zuiver te zijn. Dit geeft rust en vertrouwen, de basis van waaruit ik werk.
En ja, ik vind het soms ook nog heel spannend.
Wanneer ik me laat zien, wanneer ik iets persoonlijks deel, wanneer ik sta voor wat ik te brengen heb.
De kunst is niet om die spanning kwijt te raken, de kunst is om ermee te kunnen zijn.
Door simpelweg te zeggen:
“Ik vind het spannend”
“Ik ben bang niet begrepen te worden”
Op het moment dat je het uitspreekt, verschuift er iets. Je zenuwstelsel ontspant een fractie, je ademhaling wordt dieper. Wat een grote, allesoverheersende golf leek, wordt dan iets wat je kunt dragen.










